Voorrang Kwetsbare verkeersdeelnemers
Bestuurders moeten blinden en alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.
Mensen die niet of slecht kunnen zien. Je herkent een blinde aan een witte stok met één of meer rode ringen.
Blinden gebruiken deze stok om zich in het verkeer te oriënteren. Rode ringen op de stok betekenen dat iemand blind of slechtziend is.
Zie je iemand met zo'n witte stok met rode ringen? Dan stop je en laat je die persoon oversteken. Dit geldt ook voor mensen die moeilijk lopen, bijvoorbeeld door een beperking of letsel. Je wacht tot ze veilig aan de overkant zijn.
Let op: een rolstoelgebruiker valt niet onder "personen die zich moeilijk voortbewegen". Buiten een zebrapad hoef je hem dus niet verplicht voor te laten gaan. Op een zebrapad heeft hij wel voorrang, net als andere voetgangers.
Een oversteekplaats op de weg, aangeduid met witte strepen op het wegdek. Hier hebben voetgangers voorrang.
Iemand die te voet loopt. Begeleid je een fiets? Dan val je ook onder de voetgangers.
Een voertuig voor mensen met een beperking. Het is niet breder dan 1,10 meter en heeft geen motor, of een motor met een maximumsnelheid van 45 km/u. Het is geen bromfiets.
Op het zebrapad stop je zodra een voetganger of een bestuurder van een gehandicaptenvoertuig oversteekt. Ook als die persoon duidelijk laat zien dat hij wil gaan oversteken, stop je al. Pas als de oversteekplaats vrij is, mag je weer doorrijden.
Houd het zebrapad altijd vrij, ook als je stopt voor een rood licht of in de file staat. Voetgangers moeten er altijd veilig en vrij overheen kunnen lopen.
Er zijn twee uitzonderingen op deze voorrangsregel. Geldt er een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht voor de voetgangers? Dan hoef je geen voorrang te geven. Ook militaire colonnes en uitvaartstoeten hoeven niet te stoppen voor het zebrapad.
Rijdt een fietser over het zebrapad? Dan heeft hij geen voorrangsrecht. Alleen voetgangers en begeleiders van een fiets hebben voorrang op het zebrapad.
Dit verschil is belangrijk. Neemt een fietser zijn fiets aan de hand mee, dan loopt hij als voetganger en heeft hij wel voorrang. Zit hij op zijn fiets en fietst hij over het zebrapad, dan heeft hij geen voorrang. Als bestuurder hoef je dan niet te stoppen.
Je nadert een zebrapad in een dorpsstraat. Een vrouw met een rollator staat aan de rand en wil oversteken. Je remt en stopt voor het zebrapad. Je wacht tot ze veilig aan de overkant is. Dan rijd je verder.
