Verkeerstekens en aanwijzingen Werking verkeerstekens
Bij elk verkeerslicht geldt dezelfde basisregel: je volgt wat het licht je vertelt. Dat is verplicht.
Een verkeerslicht regelt het verkeer. Het heeft drie kleuren: groen, geel en rood.
De betekenis van de kleuren
Bij een driekleurig verkeerslicht gelden deze regels:
- Groen licht: je mag doorrijden.
- Geel licht: je moet stoppen. Kun je niet meer veilig stoppen? Dan mag je doorrijden.
- Rood licht: je moet altijd stoppen.
Je mag doorrijden.
Je moet stoppen. Ben je te dichtbij om nog veilig te stoppen? Dan mag je doorrijden.
Je moet stoppen. Er is een uitzondering: rijdt een militaire colonne bij groen licht weg? Dan mag de rest van de colonne doorrijden, ook als het licht daarna van kleur wisselt.
Geel licht betekent dus niet snel gas geven voordat het rood wordt. Het betekent stoppen, tenzij dat niet meer kan.
Je rijdt op een kruispunt af. Het licht springt op geel. Je rijdt op 50 km/u en bent nog 30 meter van de stopstreep. Je kunt op tijd stoppen. Rem daarom af en stop voor de streep.
Bij groen licht mag je doorrijden. Let toch altijd op ander verkeer om je heen, want soms negeert een bestuurder een rood licht. Kijk daarom het hele kruispunt over voor je zelf oprijdt.
Een verlichte pijl in een verkeerslicht. Het licht geldt dan uitsluitend voor de richting die de pijl aangeeft, op de rijstrook waarvoor het licht is bedoeld. Voor andere rijstroken of richtingen zegt dit licht niets.
Soms zie je in een verkeerslicht een verlichte pijl. Dat licht geldt dan alleen voor die richting op die rijstrook. Rijd je op een andere rijstrook of een andere richting? Dan geldt dat pijllicht niet voor jou.
Je staat op een kruispunt en wilt rechtsaf. Het licht heeft een groene pijl naar rechts. Je mag rechtsaf rijden. Het licht geldt alleen voor rechtsafslaand verkeer op jouw rijstrook, niet voor bestuurders die op een andere rijstrook rechtdoor gaan.
