Gebruik van de weg Plaats op de weg
Op een gladde plek kan je scooter wegglijden. Rijd er omheen of vermijd de plek zo veel mogelijk.
Als tweewieler heb je maar 2 contactpunten met de weg. Daardoor ben je gevoeliger voor gladheid dan een auto. Sommige weggedeelten zijn gevaarlijker dan ze eruitzien.
Gladheid betekent dat het wegdek minder grip biedt. Je voertuig kan dan slippen. Dit ontstaat bijvoorbeeld door ijzel, sneeuw, natte bladeren, modder of olie op de weg.
Een putdeksel is een metalen deksel in het wegdek, boven een riool of kabel. Het oppervlak is glad, zeker als het nat is of als het licht gevroren heeft.
Tramrails zijn metalen sporen in het wegdek. Ze zijn glad en je voorwiel kan erin vast komen te zitten.
Grind is losliggend steengruis op het wegdek. Je wielen glijden erover weg alsof het ijs is.
Let op deze gevaarlijke plekken:
- Putdeksels: rijd er links of rechts omheen
- Tramrails: steek ze haaks over, rijd er nooit parallel langs/over
- Grind en modder: verlaag je snelheid en rijd er voorzichtig doorheen als eromheen niet mogelijk is
- Witte wegmarkeringen: bij regen zijn deze gladder dan het asfalt
Voorspelbaar rijden betekent dat andere weggebruikers kunnen zien wat je gaat doen. Je rijdt rechtdoor, geeft op tijd richting aan en maakt geen plotselinge bewegingen.
Wil je een gevaarlijke plek vermijden? Kijk eerst of het veilig is om van positie te wisselen. Stuur dan rustig en langzaam naar links of rechts. Zo blijf je voorspelbaar voor het verkeer achter je.
Lukt het niet om de gladde plek te vermijden? Rem dan ruim op tijd vóór die plek. Op een glad oppervlak kan je scooter slippen als je tijdens het remmen over die plek rijdt.
Je rijdt op een natte weg en ziet een putdeksel liggen. Je stuurt iets naar rechts om het te vermijden. Daarna rijd je weer recht. Zo val je niet en weet het verkeer achter je wat je doet.
