Bijzondere wegen, weggedeelten, weggebruikers en verrichtingen Bijzondere voertuigen
De wet noemt dit voertuig een autobus: een motorvoertuig voor meer dan acht personen. Een autobus die voor openbaar vervoer wordt ingezet, heet ook wel een lijnbus. Denk aan een stadsbus of streekbus die op vaste tijden rijdt.
Een bushalte is een vaste plek langs de weg waar een lijnbus stopt. Passagiers kunnen er in- en uitstappen.
De bebouwde kom is een gebied met aaneengesloten bebouwing. Je herkent de grens aan bord H1 (begin) en bord H2 (einde). Binnen de bebouwde kom gelden andere regels dan daarbuiten.
Binnen de bebouwde kom moet je een lijnbus laten wegrijden bij een bushalte. Dit geldt zodra de bestuurder zijn richtingaanwijzer gebruikt.
Buiten de bebouwde kom geldt deze regel niet. Daar hoef je een bus bij een halte niet voor te laten gaan.
De busbestuurder geeft met zijn richtingaanwijzer aan dat hij wil wegrijden. Zodra je dat signaal ziet, maak je ruimte. Je vermindert je snelheid of stopt, zodat de bus veilig kan wegrijden.
Let vroeg op het signaal van de bus. Zo voorkom je dat je plotseling hard moet remmen.
Je rijdt op een weg binnen de bebouwde kom. Naast de weg staat een bus bij de bushalte. De bus staat stil en je ziet de richtingaanwijzer knipperen. Je vermindert je snelheid en laat de bus invoegen. Daarna rijd je verder.
Deze regel geldt niet als je deel uitmaakt van een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.
