Veilig rijden met het voertuig en reageren in noodsituaties Gebruik van verlichting
Licht dat de weg vóór je voertuig over een grote afstand verlicht. Je ziet daarmee veel verder dan met dimlicht.
Overschakelen van groot licht naar dimlicht. De weg blijft verlicht, maar andere weggebruikers worden niet verblind.
Verkeer dat uit de tegenovergestelde richting komt. Dit zijn alle weggebruikers: bijvoorbeeld auto's, fietsers en voetgangers.
Je ziet tijdelijk niets of veel minder doordat fel licht in je ogen schijnt of heeft geschenen. Je ogen moeten even wennen voordat je weer goed kunt zien.
's Nachts rijd je standaard op dimlicht. Groot licht mag je 's nachts ook gebruiken, want daarmee zie je veel verder en rijd je veiliger. Zodra je iemand tegenkomt of op korte afstand achter een ander voertuig rijdt, schakel je terug naar dimlicht.
Groot licht is toegestaan bij nacht, maar je moet groot licht dimmen in drie situaties:
- overdag (bij dag mag je nooit groot licht gebruiken)
- als tegemoetkomend verkeer nadert
- als je op korte afstand achter een ander voertuig rijdt
Groot licht verblindt tegemoetkomende bestuurders. Zij zien dan even niets meer en dat is gevaarlijk. Dim daarom altijd je groot licht zodra er iemand aankomt.
Rijd je vlak achter een ander voertuig? Dan schijnt je groot licht in de spiegels van de bestuurder voor je. Dat leidt af en kan verblinden. Zet in dat geval je groot licht uit.
Je rijdt 's avonds op een landweg buiten de bebouwde kom. Er is geen ander verkeer, dus je zet groot licht aan om verder te kunnen zien. Dan zie je in de verte koplampen aankomen. Je schakelt terug naar dimlicht zodat de bestuurder niet verblind wordt. Zodra hij voorbij is, zet je groot licht weer aan.
Let op: ook als je een voetganger of fietser tegenkomt, moet je je groot licht dimmen. Verblinding is namelijk gevaarlijk voor alle weggebruikers.
