Veilig rijden met het voertuig en reageren in noodsituaties Communicatie
Communicatie in het verkeer is het uitwisselen van informatie tussen weggebruikers. Je geeft aan wat je gaat doen, zodat anderen daarop kunnen reageren. Denk aan richting aangeven, oogcontact maken, claxonneren of lichtsignalen geven.
Een bestuurder is iedereen die actief aan het verkeer deelneemt, behalve voetgangers. Bij een motorvoertuig is de bestuurder degene die het voertuig bestuurt. Rijd je in een lesvoertuig met dubbele bediening? Dan geldt ook de rij-instructeur als bestuurder.
Verkeersdeelnemers zijn alle mensen die meedoen aan het verkeer. Denk aan voetgangers, fietsers, bromfietsers en bestuurders van motorvoertuigen. Samen vormen zij het verkeer op de weg.
In het verkeer weet niemand automatisch wat de ander gaat doen. Daarom is goede communicatie belangrijk: zo voorkom je misverstanden. Maak jij duidelijk wat je van plan bent? Dan kunnen andere verkeersdeelnemers daarop reageren.
Als bestuurder heb je een paar manieren om te communiceren. Let op: je mag een geluidssignaal of knippersignaal alleen geven om dreigend gevaar af te wenden.
De richtingaanwijzer is het belangrijkste communicatiemiddel. Je gebruikt hem bij het wegrijden, inhalen, oprijden of verlaten van de doorgaande rijbaan en bij het wisselen van rijstrook. Zo weet iedereen om je heen precies wat je van plan bent.
Naast de richtingaanwijzer communiceer je ook met oogcontact, lichten en handgebaren. Nader je bijvoorbeeld een druk kruispunt? Dan kun je oogcontact maken met een voetganger om te laten zien dat je stopt. Dat is geen verplichting, maar het maakt de situatie wel veiliger.
Je nadert een zebrapad en ziet een voetganger die wil oversteken. Je vermindert je snelheid en maakt oogcontact met de voetganger, zodat hij weet dat je hem gezien hebt. De voetganger begrijpt dat je hem voor laat gaan en steekt over. Jij blijft rustig staan totdat hij veilig aan de overkant is en rijdt dan verder.
