Waarschuwingsknipperlichten en de gevarendriehoek

Veilig rijden met het voertuig en reageren in noodsituaties Communicatie

Waarschuwingsknipperlichten

In de theorie worden deze ook wel alarmlichten genoemd. Zet je de waarschuwingsknipperlichten van je voertuig aan, dan knipperen alle richtingaanwijzers tegelijk. Zo waarschuw je andere weggebruikers dat je voertuig tijdelijk gevaarlijk staat of dat er gevaar dreigt, bijvoorbeeld bij pech of een file.

Gevarendriehoek

Een gevarendriehoek is een opvouwbare, rood-reflecterende driehoek. Je zet hem op de weg om anderen te waarschuwen voor je stilstaande auto. Zo kunnen ze op tijd remmen of uitwijken.

Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moet je aanduiden met een gevarendriehoek, als het voertuig een obstakel vormt dat naderende bestuurders niet op tijd kunnen opmerken. Plaats de gevarendriehoek goed zichtbaar op de weg, op ongeveer 30 meter van het voertuig, in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert. Voer je al waarschuwingsknipperlichten, dan hoef je geen gevarendriehoek te plaatsen.

Je mag de waarschuwingsknipperlichten alleen gebruiken om dreigend gevaar af te wenden. Pech op de weg en een plotselinge file zijn voorbeelden van zo'n situatie. Gebruik de waarschuwingsknipperlichten dus niet als vervanging voor je richtingaanwijzer en ook niet om even snel te stoppen bij een winkel.

Je zet je waarschuwingsknipperlichten aan zodra je voertuig een gevaar vormt voor andere weggebruikers. Denk aan pech, een ongeluk of een plotselinge gevaarlijke situatie. De knipperende lichten trekken snel de aandacht van andere bestuurders.

Bij pech zet je de waarschuwingsknipperlichten meteen aan. Rijd daarna zo snel mogelijk naar een veilige plek, zoals de vluchtstrook of een parkeerterrein. Rijdt je voertuig echt niet meer, dan blijft het op de weg staan. Dat is gevaarlijk voor andere weggebruikers. Zet daarom ook een gevarendriehoek achter je auto neer, zodat verkeer van ver kan zien dat er iets staat.

Ook bij een file op de snelweg kun je de waarschuwingsknipperlichten gebruiken. Je waarschuwt daarmee de bestuurder achter je dat het verkeer plotseling stilstaat. Zodra het verkeer weer rijdt, zet je de waarschuwingsknipperlichten weer uit.

Je rijdt op de snelweg als je auto plotseling een lekke band krijgt. Je zet meteen je waarschuwingsknipperlichten aan en rijdt naar de vluchtstrook. Daar zet je de auto stil. Je plaatst een gevarendriehoek op de vluchtstrook, zodat het verkeer achter je ziet dat er een stilstaand voertuig staat. Let op: dit mag alleen als het plaatsen veilig genoeg kan.