Verkeerslichten op kruispunten

Voorrang en voor laten gaan Gedrag op kruispunten

Verkeerslicht

Een verkeerslicht regelt wie mag rijden en wie moet stoppen. Het staat bij kruispunten en andere plekken waar verkeer samenkomt.

Verkeerslichten gaan altijd voor op voorrangsregels en verkeersborden. Als er een verkeerslicht staat, volg je dat. Als motorrijder gebruik je dezelfde lichten als al het andere verkeer. Er zijn geen aparte motorlichten.

Groen licht

Je mag doorgaan.

Geel licht

Je moet stoppen. Ben je het licht al zo dicht genaderd dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is? Dan mag je doorrijden.

Rood licht

Je moet stoppen.

Bij geel licht stop je. Kun je redelijkerwijs niet meer stoppen? Dan rijd je door.

Let op bij groen licht. Je mag rijden, maar je moet nog steeds opletten. Kijk het hele kruispunt over voordat je optrekt. Verkeer van een andere richting kan door rood rijden. Als motorrijder let je ook op afslaand autoverkeer en kwetsbare deelnemers zoals fietsers en voetgangers.

Het licht springt op groen. Je wilt rechtdoor. Toch kijk je eerst het kruispunt over. Een auto slaat linksaf en ziet jou niet aankomen. Doordat je keek, kon je op tijd remmen.

Pijllicht

Een pijllicht is een verlichte pijl in of naast een verkeerslicht. Het licht geldt dan alleen voor de richting die de pijl aanwijst. Andere richtingen vallen onder het gewone licht.

Soms zie je een pijllicht naast het gewone verkeerslicht. Is de pijl groen? Dan mag je die richting op, ook als het gewone licht rood is. De pijl geldt alleen voor die richting.

Op sommige plaatsen staan tweekleurige verkeerslichten. Die hebben alleen geel en rood. Geel betekent ook hier: stoppen. Kun je redelijkerwijs niet meer stoppen? Dan rijd je door. Rood betekent stoppen. Geen licht aan? Dan gelden de normale verkeersregels.