Voorrang en voor laten gaan Gedrag op kruispunten
Alle weggebruikers moeten een voorrangsvoertuig voor laten gaan.
Een motorvoertuig dat tegelijk een blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn voert. Voorbeelden zijn politieauto's, ambulances en brandweerauto's.
Een blauw licht op het voertuig dat zwaait, flitst of knippert. Dit licht laat zien dat het voertuig met spoed onderweg is.
Een geluidssignaal dat afwisselend twee tonen laat horen. Voorrangsvoertuigen gebruiken dit signaal samen met het blauwe licht.
Je rijdt opzij of je stopt, zodat het voorrangsvoertuig ongehinderd kan passeren. Je doet dit veilig en je veroorzaakt geen gevaar of hinder voor anderen.
Voorrangsvoertuig herkennen
Je herkent een voorrangsvoertuig aan twee signalen tegelijk: een blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn. Alleen een blauw licht zonder hoorn is geen voorrangsvoertuig. Alleen een hoorn zonder blauw licht ook niet. Pas als beide tegelijk aan staan, moet je ruimte maken.
Een voorrangsvoertuig mag van veel verkeersregels afwijken. Het mag bijvoorbeeld door rood rijden en te hard rijden, als de taak dat vereist. Jij moet daar rekening mee houden.
Ruimte maken op de motor
Ga als motorrijder rustig naar rechts zodra je een voorrangsvoertuig hoort of ziet. Stop zo nodig op een veilige plek. Blijf daarbij goed zichtbaar voor het voorrangsvoertuig en voor andere weggebruikers. Let hier extra op bij een smalle of bochtige weg, want daar heb je minder ruimte om uit te wijken dan een auto.
Kijk niet alleen voor je. Houd ook je spiegels in de gaten. Een ambulance kan namelijk ook van achteren naderen terwijl jij op de motor rijdt.
Je rijdt op een tweebaansweg buiten de bebouwde kom. Achter je klinkt een sirene en je ziet blauw licht in je spiegel. Je remt rustig af, geeft richting rechts aan en rijdt naar de rechterkant van de rijbaan. Het voorrangsvoertuig passeert. Pas daarna rijd je weer verder.
