Verkeerslichten met richtingpijl

Verkeerstekens en aanwijzingen Werking verkeerstekens

Richtingpijl

Een verlichte pijl in een driekleurig verkeerslicht. Het licht geldt alleen voor de richting die de pijl aangeeft, op de rijstrook waarvoor het licht is bedoeld.

Bij een rond bolletje in het verkeerslicht die groen is, mag je alle kanten op. Soms zie je in plaats daarvan een pijl in het verkeerslicht. Dan gelden andere regels.

Rijstrook

Een gedeelte van de rijbaan dat is gemarkeerd met strepen. Het is breed genoeg voor één auto.

Groene pijl

Een groene pijl geeft alleen doorgang voor die ene richting. Je hoeft dan geen rekening te houden met tegemoetkomend verkeer uit die richting.

Tegemoetkomend verkeer

Verkeer dat uit de tegenovergestelde richting komt. Dit verkeer rijdt je dus tegemoet.

Achteropkomend verkeer

Verkeer dat achter je rijdt en dezelfde richting op gaat.

Bij een rond groen licht mag je alle richtingen op. Je houdt dan wel rekening met tegemoetkomend en achteropkomend verkeer. Je volgt de verkeersregels wie er dan eerst mag: rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg gaat voor afslaand verkeer en korte bocht gaat voor de lange bocht.

Rood licht, ook een rode pijl, betekent altijd stoppen. Een gele pijl betekent ook stoppen. Alleen als je zo dichtbij bent dat stoppen niet meer veilig kan, mag je doorrijden.

Je rijdt naar een kruispunt toe en ziet een groen pijltje naar rechts in het verkeerslicht. Je mag rechtsaf. Tegemoetkomend verkeer heeft rood en staat stil. Je slaat rechtsaf zonder op dat verkeer te hoeven wachten.

Let op het verschil: een verlichte pijl zit in het verkeerslicht en geldt voor één richting op jouw rijstrook. Een rond groen licht geldt voor alle richtingen.