Voertuigkennis Gebruikseisen
Je passagiers en je lading mogen je niet hinderen als bestuurder. Je moet altijd voldoende zicht hebben naar voren, opzij en naar achteren.
Voordat je wegrijdt, moet je goed kunnen zien wat er om je heen gebeurt, in alle richtingen. Ligt je lading te hoog opgestapeld? Dan blokkeert dat misschien je achteruitkijkspiegel. Controleer dit daarom altijd voordat je wegrijdt.
Ook je spiegels moeten goed staan. De buitenspiegels en de binnenspiegel laten zien wat er achter en naast je gebeurt. Staat een spiegel scheef, dan doet hij zijn werk niet goed. Stel je spiegels dus in voordat je gaat rijden.
Trek je een aanhangwagen of caravan die breder is dan je auto, inclusief de spiegels? Dan moet je extra spiegels of opzetspiegels monteren. Anders heb je niet genoeg zicht langs de aanhangwagen naar achteren.
Een constructie in het voertuig die plaats biedt aan één volwassen persoon. Dit kan een losse stoel zijn of een deel van een bank.
Een persoon die meereist in het voertuig, maar niet de bestuurder is.
Passagiers mogen jou als bestuurder niet afleiden of hinderen. Zit iemand naast je te dicht op het stuur, dan kun je niet meer vrij sturen. Dat is gevaarlijk.
Een motorvoertuig dat ingericht is voor het vervoer van meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend.
Voor de bestuurder van een autobus gelden op sommige punten andere regels. Zo mogen passagiers in een autobus staanplaatsen innemen. Bij een gewone personenauto kan dat niet, die heeft geen staanplaatsen.
Je laadt dozen in je auto en stapelt ze zo hoog op dat je niets meer ziet via je binnenspiegel. Dat mag alleen als je nog voldoende zicht hebt in beide buitenspiegels. Verdeel je lading liever lager, dan houd je optimaal zicht.
