Voorrangsvoertuig op de doorgaande weg

Bijzondere wegen, weggedeelten, weggebruikers en verrichtingen Bijzondere voertuigen

Je moet een voorrangsvoertuig altijd voor laten gaan.

Een voorrangsvoertuig voert blauwe zwaailichten en een tweetonige hoorn. Zo laat het weten dat het een dringende taak heeft. Jij moet een voorangsvoertuig altijd voor laten gaan.

Voorrangsvoertuig

Een motorvoertuig dat blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voert en een tweetonige hoorn gebruikt om aan te geven dat het een dringende taak vervult. Denk aan politie, brandweer of ambulance.

Ruimte maken

Ruimte maken betekent dat je het voorrangsvoertuig de kans geeft om ongehinderd langs jou te rijden. Je past je rijgedrag aan zodat het voertuig snel en veilig kan passeren.

Rijstrook

Een rijstrook is een gedeelte van de rijbaan dat is afgebakend door doorgetrokken of onderbroken strepen. Het is breed genoeg voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen.

Rijd je op een doorgaande weg met meerdere rijstroken? Blijf dan als motorrijder rechts. Voorrangsvoertuigen houden zich zoveel mogelijk aan de normale regels en halen meestal links in. Door rechts te blijven geef je het voorrangsvoertuig de ruimte om links langs je te rijden.

Rechts houden

Rechts houden betekent dat je zo ver mogelijk naar rechts rijdt op de rijbaan. Je houdt de linkerrijstrook vrij voor tegemoetkomend verkeer of inhaalmanoeuvres.

Voorspelbaar rijden

Voorspelbaar rijden betekent dat je je gedraagt zoals andere weggebruikers van je verwachten. Je remt niet plotseling, je stuurt niet onverwacht opzij en je houdt je aan de geldende snelheid.

Hoor je een voorrangsvoertuig? Rem dan niet plotseling en stuur ook niet ineens de berm in. Dat is gevaarlijk, zeker op een motorfiets. Rijd rustig door op de rechterrijstrook met de toegestane snelheid. Dat is voorspelbaar rijden.

Let op: er kan meer dan één voorrangsvoertuig volgen. Politievoertuigen of ambulances rijden soms in een groep. Blijf daarom opletten totdat je zeker weet dat er geen volgend voertuig meer achteraan rijdt.

Je rijdt op een weg met twee rijstroken in jouw richting. Je hoort een sirene achter je. Je houdt je koers op de rechterrijstrook en remt niet plotseling. Het voorrangsvoertuig haalt je links in en rijdt verder. Even later volgt nog een tweede voertuig met zwaailicht. Ook die passeert links. Pas als je geen sirene meer hoort, weet je dat je gewoon kunt doorrijden en indien nodig weer gebruik kunt maken van de linkerrijstrook.