Wetgeving Eisen aan voertuigen
Als bestuurder houd je je niet alleen aan de verkeersregels. Je moet ook je papieren bij je hebben en goed voor je passagiers zorgen. Wil je een voertuig slepen? Dan gelden daar weer aparte regels voor.
Rijbewijs en papierenJe hebt altijd je rijbewijs bij je nodig als je rijdt. Zonder geldig rijbewijs mag je geen motorrijtuig besturen. Let op: je rijbewijs moet geldig zijn, goed leesbaar en geschikt voor het voertuig dat je bestuurt.
Vraagt een politieagent of een andere bevoegde persoon je te stoppen? Dan houd je je voertuig stil. Daarna laat je je rijbewijs en kentekenbewijs zien.
Rijd je met een aanhangwagen van boven de 750 kg achter je auto? Dan heb je niet genoeg aan je eigen rijbewijs en kentekenbewijs. Je moet dan ook het kentekenbewijs van de aanhangwagen bij je hebben.
Wijzigingen aan je voertuigElk nieuw voertuig krijgt een goedkeuring volgens vaste eisen: de typegoedkeuring. Pas je iets ingrijpends aan je auto aan, dan kan die goedkeuring vervallen. Je voertuig moet namelijk altijd blijven voldoen aan de wettelijke eisen. Doet het dat niet meer, dan mag je er niet mee de weg op.
Passagiers vervoerenIemand die in een voertuig wordt vervoerd, behalve de bestuurder.
Je passagiers mogen jou als bestuurder niet hinderen. Je moet je voertuig namelijk altijd volledig onder controle houden. Zit iemand aan het stuur of blokkeert iemand jouw zicht? Dan wordt rijden onveilig.
Als bestuurder heb je altijd voldoende zicht nodig: naar voren, naar opzij en naar achteren. Gebruik daarom je spiegels om het verkeer achter je te zien.
Je neemt een paar vrienden mee in de auto. Een vriend leunt naar voren, tikt je op je schouder en praat in je oor. Dit leidt je af en blokkeert je zicht naar achteren. Vraag hem daarom rechtop te gaan zitten. Jij bent namelijk verantwoordelijk voor een veilige rit.
Je laat je voertuig stilstaan gedurende de tijd die nodig is voor het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
Je laat je voertuig stilstaan voor iets anders dan het direct in- of uitstappen van passagiers of het direct laden of lossen van goederen.
Het verschil tussen stilstaan en parkeren is belangrijk, want er gelden andere regels voor parkeren dan voor stilstaan. Op veel plaatsen mag je bijvoorbeeld wel even stilstaan, maar niet parkeren.
Je stopt voor een winkel. Je passagier stapt uit en loopt naar binnen. Jij wacht in de auto met de motor draaiend. Duurt dit langer dan het uitstappen zelf? Dan ben je aan het parkeren, niet aan het stilstaan.
Een voertuig voorttrekken dat zelf niet rijdt, bijvoorbeeld bij pech of een ongeval. Je trekt het voertuig mee met een sleepkabel of sleepstang.
Met een motorvoertuig mag je maar ƩƩn ander motorvoertuig slepen. Een tweewielig motorvoertuig mag niet slepen of gesleept worden. Ook een samenstel mag je niet slepen.
Heeft het voertuig een drukluchtremsysteem, zoals bij vrachtwagens? Dan gebruik je alleen een sleepstang, geen kabel.
Je vriend heeft pech op een landweg. Zijn auto start niet. Jij hebt een sleepkabel bij je, dus je mag zijn auto naar de dichtstbijzijnde garage slepen. Let op: het gesleepte voertuig moet wel stuurbaar en rembaar zijn.
