Verantwoorde verkeersdeelname en milieubewust rijden Onderhoud en controle, ADAS
Een controle die je uitvoert voordat je gaat rijden. Je controleert de vloeistoffen, banden, verlichting en besturing van je auto.
Controleer je auto elke dag voordat je wegrijdt. Zo voorkom je pech onderweg en rijd je veilig. Twijfel je hoe een controle moet? Het instructieboekje van je auto legt elke stap precies uit.
Het niveau van de motorolie in je auto. De motorolie smeert de motor en voorkomt slijtage.
Je controleert het oliepeil met de peilstok. Trek de stok eruit en veeg hem af. Steek hem daarna terug en trek hem er weer uit. Het oliepeil hoort tussen de minimum- en maximummarkering te staan. Staat het peil lager, vul dan olie bij.
Een vloeistof die de motor op de juiste temperatuur houdt. Zonder koelvloeistof raakt de motor oververhit.
Ook het niveau van de koelvloeistof controleer je. Dat kan makkelijk, want het reservoir is doorzichtig. Je ziet het niveau dus meteen van buitenaf. Ook hier geldt: tussen de minimum- en maximummarkering is goed.
Controleer daarnaast de ruitensproeiervloeistof. Dat is de vloeistof waarmee je je voorruit schoonmaakt. Is het reservoir leeg, vul het dan bij met een mengsel van water en ruitenwisservloeistof. In de winter voeg je hier antivries aan toe.
De luchtdruk in je banden. De juiste bandenspanning is belangrijk voor veiligheid en brandstofverbruik.
Controleer de bandenspanning regelmatig. De juiste spanning vind je in het instructieboekje of op een sticker in het portier. Kijk ook naar het loopvlak van je banden: het profiel moet minimaal 1,6 mm diep zijn. Alleen dan heb je genoeg grip, ook op natte wegen.
Alle lichten van je auto: bijvoorbeeld de koplampen, remlichten, richtingaanwijzers en je achterlichten. Controleer of alle lichten werken.
Loop om je auto heen en controleer alle lichten: de koplampen, de achterlichten, de remlichten en de richtingaanwijzers. Voor de remlichten heb je hulp nodig. Vraag iemand om te kijken terwijl jij remt, of gebruik een spiegel of reflecterend oppervlak.
Controleer ook de stuurinrichting en de remmen. De stuurinrichting hoort soepel te werken, zonder speling. De remmen moeten direct reageren. Voel je iets vreemds, laat je auto dan nakijken door een garage.
Je stapt in je auto voor een lange rit. Eerst controleer je het oliepeil: het zit net onder het minimum, dus je vult olie bij. Daarna check je de bandenspanning. De voorband links heeft te weinig lucht, dus je pompt hem op. Nu kun je veilig wegrijden.
Weet je niet precies hoe je een controle uitvoert? Kijk dan in het instructieboekje van je auto. Dat boekje geeft exacte aanwijzingen voor jouw type auto.
