Gebruik van de weg Plaats op de weg
Een voertuig voor een gehandicapte. Het is niet breder dan 1,10 meter. Het heeft óf helemaal geen motor óf een motor met een maximumsnelheid van hoogstens 45 km/u. Het is geen bromfiets.
Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen zelf kiezen waar ze rijden. Ze mogen het trottoir gebruiken, het voetpad, het fietspad of het fiets/bromfietspad. Ook de rijbaan mag. Daardoor mogen ze dus ook op een fietsstrook rijden.
Een gedeelte van de rijbaan, gemarkeerd met doorgetrokken of onderbroken strepen. Op de strook staan afbeeldingen van een fiets.
Een niet-verplichte fietsstrook. Andere bestuurders mogen deze strook ook gebruiken.
Andere bestuurders, zoals automobilisten, rijden op de rijbaan. Een fietsstrook mogen ze niet gebruiken. Een suggestiestrook wel, maar let op: fietsers en snorfietsers mogen daar niet gehinderd worden.
Iemand die op een paard rijdt. In het verkeer is een ruiter een weggebruiker, net als een voetganger of fietser.
Een pad dat bedoeld is voor ruiters te paard. Andere bestuurders mogen hier niet rijden.
Ruiters gebruiken het ruiterpad. Is er geen ruiterpad, dan rijden ze in de berm. Is er ook geen berm, dan rijden ze op de rijbaan.
Je rijdt op een landweg. Er is een fietsstrook met een doorgetrokken streep en een fietssymbool. Dit is een verplichte fietsstrook. Als automobilist rijd je op de rijbaan ernaast. Verderop zie je een ruiter in de berm. Er is geen ruiterpad. De ruiter rijdt in de berm, dat is de juiste plek.
