Gebruik van de weg Oprijden en afslaan op kruispunten
Je moet een teken geven met je richtingaanwijzer voordat je van rijrichting verandert.
Bij invoegen zoek je eerst een plek in het verkeer. Pas als je echt kunt invoegen, geef je richting aan. Rijd je nog naast een andere auto? Geef dan nog geen richting aan. Dat geeft een verkeerd signaal en kan verwarring veroorzaken.
Je rijdt op een invoegstrook en ziet twee auto's dicht achter elkaar rijden op de doorgaande rijbaan. Je wacht tot er een ruimte is. Dan geef je richting aan en voeg je in.
Bij uitvoegen geef je juist op tijd richting aan. Zo weet het verkeer achter je wat je gaat doen.
De wet schrijft geen specifieke afstanden voor. Als vuistregel geldt:
- Op de autosnelweg: ongeveer 300 meter voor de uitrijstrook.
- Op de autoweg: ongeveer 200 meter voor de uitrijstrook.
Je rijdt op de autosnelweg en wilt de afrit nemen. Je ziet het bord dat de afrit aangeeft. Je geeft nu al richting aan, ook al is de uitvoegstrook nog 300 meter verderop. Zo weet het verkeer achter je op tijd dat je gaat uitvoegen.
Invoegen is het oprijden van de doorgaande rijbaan vanaf een invoegstrook. Je past je snelheid aan aan het verkeer op de doorgaande rijbaan. Zo voeg je ertussen in zonder dat anderen hoeven te remmen of uit te wijken.
Uitvoegen is het verlaten van de doorgaande rijbaan via een uitvoegstrook. Je rijdt de uitvoegstrook op om de autosnelweg of autoweg te verlaten.
Een autosnelweg is een weg die is aangeduid door bord G1. Parkeerplaatsen en tankstations langs de autosnelweg horen daar niet bij.
