Richting aangeven bij afslaan

Gebruik van de weg Oprijden en afslaan op kruispunten

Voordat je afslaat, geef je een teken met je richtingaanwijzer. Doe dit op tijd. Zo weten andere weggebruikers wat je van plan bent.

Afslaan

Bij afslaan rijd je op een kruispunt een zijstraat in naar links of rechts. Je verlaat de weg waarop je rijdt en gaat een andere weg op.

Richting aangeven

Je geeft in principe richting aan met je richtingaanwijzer, maar je mag in plaats daarvan ook je arm uitsteken. Zo laat je zien dat je van richting wilt veranderen.

Hoe ver voor de afslag je richting aangeeft, hangt af van het type weg. De wet noemt geen vaste afstanden. Ze schrijft alleen voor dat je richting aangeeft voordat je afslaat. Toch geldt globaal deze vuistregel:

  • ongeveer 100 meter voor de afslag binnen de bebouwde kom;
  • ongeveer 200 meter voor de afslag op een autoweg;
  • ongeveer 300 meter voor de afslag op een autosnelweg.
Bebouwde kom

Een gebied met aaneengesloten bebouwing. Bord H1 geeft aan waar de bebouwde kom begint. Bord H2 geeft aan waar hij eindigt. Binnen de bebouwde kom gelden andere regels dan daarbuiten.

Autoweg

Een weg met bord G3. Parkeerplaatsen en tankstations langs de autoweg horen niet bij de autoweg zelf.

Autosnelweg

Een weg met bord G1. Parkeerplaatsen en tankstations langs de autosnelweg horen niet bij de autosnelweg zelf.

Op een autosnelweg rijd je harder. Daardoor heb je ook meer remweg nodig. Daarom geef je hier eerder richting aan dan binnen de bebouwde kom, zodat andere weggebruikers op tijd kunnen reageren.

Je rijdt op een autosnelweg en wilt de afslag nemen. Je zet je richtingaanwijzer al aan op ongeveer 300 meter voor de afslag. Een auto achter je ziet het signaal en houdt meer afstand.