Veilig rijden met het voertuig en reageren in noodstituaties Gebruik van verlichting
Groot licht verlicht de weg ver voor je. Het schijnt verder dan dimlicht. Daardoor zie je meer, maar je kunt andere weggebruikers ook verblinden.
Verblinden betekent dat je iemand zo fel aanstraalt dat die even niets meer kan zien. Dat is gevaarlijk in het verkeer.
Tegemoetkomend verkeer is verkeer dat uit de tegenovergestelde richting op je af rijdt. Dit kunnen auto's, motoren, fietsers of andere weggebruikers zijn.
Dimmen is overschakelen van groot licht naar dimlicht. De weg voor je blijft verlicht, maar andere weggebruikers worden niet meer verblind.
Groot licht
Je mag groot licht alleen voeren bij nacht. Kom je een andere weggebruiker tegen, of rijd je op korte afstand achter een ander voertuig? Dan schakel je over naar dimlicht.
Overdag mag je geen groot licht voeren. Alleen bij nacht is het toegestaan. Je motor heeft groot licht nodig als je in het donker ver vooruit wilt zien, bijvoorbeeld op een onverlichte landweg.
Zie je tegenliggers? Dan schakel je meteen terug naar dimlicht. Datzelfde geldt als je dicht achter een ander voertuig rijdt. Je wilt tenslotte niemand verblinden.
Je rijdt 's avonds op een onverlichte landweg. Er is niemand te zien, dus je zet groot licht aan. Verderop zie je de koplampen van een tegenligger door de bocht komen. Je schakelt terug naar dimlicht. Na het passeren zet je groot licht weer aan.
