Veilig rijden met het voertuig en reageren in noodstituaties Communicatie
Als je remt, gaat je remlicht branden. Zo weet het verkeer achter je dat je vaart mindert. Het maakt niet uit of je de voor- of achterrem gebruikt, bij beide gaat je remlicht aan.
Het remlicht is een rood licht aan de achterkant van je motor. Het gaat aan zodra je remt. Zo ziet het verkeer achter je dat jij afremt.
De voorrem is de rem die het voorwiel afremt. Op een motorfiets bedien je de voorrem met de handgreep aan de rechterkant van het stuur.
De achterrem is de rem die het achterwiel afremt. Op een motorfiets bedien je de achterrem met je rechtervoet.
Afremmen betekent dat je bewust vaart mindert. Dat doe je door de rem te bedienen. Begin op tijd, dan kun je geleidelijk stoppen.
De volgafstand is de ruimte tussen jouw motor en het voertuig voor je. Genoeg volgafstand geeft je tijd om te reageren en rustig te remmen.
Artikel 5 WVW zegt dat je niemand in gevaar mag brengen of het verkeer mag hinderen. Rijd je te dicht achter een ander voertuig, dan kun je niet op tijd stoppen. Dat is gevaarlijk voor jezelf en anderen.
Gebruik je remlicht ook niet om iemand af te schrikken. Dan rem je plotseling zonder dat het nodig is. Daarmee veroorzaak je gevaar.
Voldoende volgafstand
Houd voldoende volgafstand. Dan kun je geleidelijk remmen als het verkeer voor je afremt. Geleidelijk remmen is veiliger dan hard remmen. Bovendien gaat je remlicht eerder aan, waardoor het verkeer achter je meer tijd heeft om te reageren.
Je rijdt op een landweg achter een bestelwagen. De bestelwagen mindert vaart voor een kruispunt. Jij remt rustig mee met je remlicht aan. De auto achter jou ziet dit en past zijn snelheid ook aan. Niemand hoeft plotseling te remmen waardoor het veilig blijft.
