Welke verlichting gebruik je wanneer

Veilig rijden met het voertuig en reageren in noodstituaties Gebruik van verlichting

Als motorrijder ben je verplicht om de juiste verlichting te voeren. Welk licht je gebruikt, hangt af van het tijdstip en het zicht.

Dimlicht

Verlicht de weg vóór je, zonder andere weggebruikers te verblinden.

Koplamp

De lamp aan de voorkant van je motor. Op de meeste motorfietsen is dit de dimlicht-koplamp.

Achterlicht

Licht aan de achterkant. Hiermee laat je zien dat je er bent en hoe breed je voertuig is.

Zichtbaarheid

Hoe goed andere weggebruikers jou kunnen zien. Op een motor ben je kleiner dan een auto. Daarom is zichtbaarheid extra belangrijk.

Rijd je 's nachts of overdag bij ernstig belemmerd zicht? Dan voer je als motorrijder altijd dimlicht. Je achterlicht brandt daarbij automatisch mee.

In de tabel hieronder zie je welk licht je wanneer gebruikt.

Situatie Verplicht licht Toegestaan
Overdag, goed zicht Geen verplichting Dimlicht (aanbevolen)
Overdag, zicht ernstig belemmerd Dimlicht + achterlicht Mistlicht voor (vervangt dimlicht bij mist, sneeuwval of regen)
Bij nacht Dimlicht + achterlicht Groot licht (niet bij tegenkomen of dicht volgen)
Mist of sneeuwval, zicht minder dan 50 meter Dimlicht + achterlicht Mistachterlicht

Altijd dimlicht

De wet verplicht dimlicht bij nacht en bij slecht zicht. Toch is het slim om als motorrijder ook overdag met goed zicht altijd dimlicht te voeren. Zo val je beter op voor andere weggebruikers. Een motor is namelijk smaller dan een auto en daardoor lastiger te zien.

Groot licht

Bij nacht mag je groot licht voeren. Kom je iemand tegen, of rijd je dicht achter een ander voertuig? Dan mag dat niet. Schakel in dat geval direct terug naar dimlicht, want groot licht verblindt andere bestuurders.

Je rijdt 's avonds op een landweg. Het is donker en je voert dimlicht. Je ziet een tegenligger aankomen. Direct dim je je grote licht, zodat je de andere bestuurder niet verblindt. Na het passeren zet je je groot licht weer aan.