Veilig rijden met het voertuig en reageren in noodstituaties Communicatie
Artikel 5 WVW zegt dat je niemand in gevaar mag brengen of het verkeer mag hinderen. Als motorrijder ben je minder zichtbaar dan een auto. Zoek daarom actief oogcontact bij kruispunten en bij kwetsbare weggebruikers.
Kwetsbare weggebruikers zijn voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers. Ze hebben niets om hen heen dat hen beschermt, zoals de carrosserie van een auto.
Een voetganger is iemand die te voet aan het verkeer deelneemt. De wet maakt onderscheid tussen voetgangers en bestuurders. Alle weggebruikers die geen voetganger zijn, noemt de wet bestuurders.
Een fietser is een bestuurder van een fiets. In de wet valt een fietser onder de bestuurders. Toch geldt een fietser ook als kwetsbare weggebruiker.
Oogcontact is het kort aankijken van een andere weggebruiker. Zo controleer je of hij jou heeft gezien en of hij rekening met je gaat houden.
Voorspelbaar rijgedrag betekent dat andere weggebruikers kunnen inschatten wat jij gaat doen. Je houdt een vaste snelheid aan, geeft op tijd richting aan en maakt geen plotselinge bewegingen.
Andere weggebruikers zien jou als motorrijder makkelijk over het hoofd. Een auto is groter en daardoor beter zichtbaar. Jij moet er dus zelf voor zorgen dat anderen jou zien. Dat doe je onder andere door oogcontact te zoeken.
Kijk bij een kruispunt de bestuurder aan die jou voorrang moet verlenen. Wacht tot je zeker weet dat hij je heeft gezien. Rijd pas door zodra je oogcontact hebt gemaakt of als de situatie duidelijk veilig is.
Let extra op bij kwetsbare weggebruikers. Een voetganger steekt soms over zonder goed te kijken. Een kind op de fiets kan opeens van richting veranderen of slingeren. Pas daarom je snelheid aan en rijd voorspelbaar, zodat zij kunnen inschatten wat jij gaat doen.
Op tijd richting aangeven helpt ook. Gebruik je richtingaanwijzer bij elke zijdelingse verplaatsing, ruim voordat je hem uitvoert. Zo weten anderen precies wat je van plan bent.
Je nadert een kruispunt en wilt rechtdoor rijden. Links van je staat een auto te wachten om de weg op te rijden. Je kijkt de bestuurder aan. Hij kijkt terug en knikt. Nu weet je dat hij je heeft gezien. Je rijdt rustig door op normale snelheid.
