Richting aangeven en spiegels controleren bij afslaan

Gebruik van de weg Oprijden en afslaan op kruispunten

Voordat je afslaat, geef je een teken met je richtingaanwijzer. Dat doe je op tijd. Zo weten andere weggebruikers wat je van plan bent.

Richtingaanwijzer

Een knipperend licht dat aangeeft dat je naar links of rechts wilt gaan.

Voordat je de richtingaanwijzer aanzet, kijk je in je spiegels. Je controleert of er verkeer naast of achter je rijdt. Daarna controleer je de dode hoek.

Spiegel

Een spiegel op je auto laat je zien wat er achter of naast je rijdt. Je gebruikt de binnenspiegel en de beide buitenspiegels.

Dode hoek

De dode hoek is het gedeelte naast en achter je auto dat je niet ziet in je spiegels. Je controleert de dode hoek door even over je schouder te kijken.

Afslaan

Afslaan betekent dat je op een kruispunt of zijstraat een andere richting op rijdt dan rechtdoor, dus naar links of naar rechts.

In de rijpraktijk gebruik je een vaste volgorde bij afslaan. Eerst kijk je in je spiegels. Dan controleer je de dode hoek. Daarna zet je de richtingaanwijzer aan en sla je af. Let op: de wet verplicht alleen het geven van een teken vóór het afslaan. De volgorde hierboven is rijpraktijk, geen wettelijke eis.

Op tijd richting aangeven

Hoe vroeg je richting aangeeft, hangt af van de soort weg. Als richtlijn geef je richting aan op:

  • ongeveer 100 meter voor de afslag binnen de bebouwde kom;
  • ongeveer 200 meter voor de afslag buiten de bebouwde kom en op een autoweg;
  • ongeveer 300 meter voor de afslag op een autosnelweg.

Zet de richtingaanwijzer uit zodra je helemaal bent afgeslagen. Soms doet het stuur dat automatisch.

Je rijdt op een weg en wilt rechts afslaan. Je kijkt eerst in je binnenspiegel en je rechter buitenspiegel. Daarna kijk je over je rechterschouder om de dode hoek te controleren. Je zet je richtingaanwijzer aan en rijdt naar rechts. Na het afslaan zet je de richtingaanwijzer weer uit.