Gebruik van de weg Snelheid
Kun je stoppen binnen de afstand die je kunt overzien? Dan rijd je met de juiste volgafstand. Weet je dat niet zeker? Dan rijd je te snel.
Dit heet rijden op zicht. Je past je snelheid aan op wat je kunt zien. Zie je maar een korte afstand voor je? Dan rijd je langzamer. Zo kun je altijd op tijd stoppen.
Je rijdt zo snel dat je nog kunt stoppen binnen de afstand die je kunt overzien. Je past je snelheid aan op je zicht, het wegdek en de verkeerssituatie.
De afstand die je nodig hebt om helemaal tot stilstand te komen. Dit zijn de reactieafstand en de remweg samen.
De afstand naar voren die je kunt zien. Tot waar je kunt kijken, moet je kunnen stoppen. Wat daarna komt, zie je niet. Daar kun je dus ook niet op reageren.
Hoe ver je vooruit kunt kijken. Mist, regen, duisternis en bochten verminderen je zicht. Bij minder zicht rijd je langzamer.
Je zicht wisselt steeds. Bij daglicht kun je op een rechte weg ver zien. Bij mist, in het donker of op een weg met veel bochten zie je veel minder ver. Ook je stopafstand verandert per situatie. Op een nat of glad wegdek rem je trager dan op droog asfalt. Daarom pas je je snelheid altijd aan op de situatie.
Rijden op zicht geldt altijd. Ook als je binnen de maximumsnelheid rijdt, kun je dus te snel rijden. De maximumsnelheid is namelijk een bovengrens. De situatie bepaalt hoe snel je echt mag rijden.
Je rijdt op een landweg en nadert een scherpe bocht. Je kunt niet zien wat er achter die bocht is. Verlaag dan je snelheid. Zo kun je op tijd stoppen als er een stilstaand voertuig of een fietser achter de bocht staat. Dat is rijden op zicht.
