Verbod op belemmerende handelingen tijdens rijden

Gebruik van de weg Plaats op de weg

Je mag tijdens het rijden geen mobiel apparaat in je hand houden.

Tijdens het rijden moet je goed kunnen sturen en goed zicht hebben op de weg. Alles wat dat lastiger maakt, is verboden. Denk aan een passagier die voor je neus hangt, een hond op schoot of een voorwerp dat je zicht blokkeert.

Je telefoon of een ander apparaat mag je niet vasthouden tijdens het rijden. Gebruik je het apparaat toch, dan moet het in een houder zitten. Je bedient het dan zonder het aan te raken. Let op: dit verbod geldt ook als je stilstaat op de rijbaan, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht.

Belemmering

Alles wat je verhindert om normaal te sturen, goed te kijken of veilig te rijden. Dat kan een voorwerp zijn, een passagier, of iets wat je aandacht afleidt.

Uitzicht

Je zicht op de weg en op het verkeer om je heen. Mensen, dieren of voorwerpen in of om het voertuig mogen dat uitzicht niet blokkeren.

Sturen

Het besturen van het voertuig met het stuur. Je moet het stuur altijd vrij kunnen bedienen. Daarom moeten je handen beschikbaar zijn.

Handen vrij

Je houdt tijdens het rijden geen voorwerpen vast. Zo zijn je handen vrij om het stuur te bedienen en op gevaar te reageren.

Je staat in de file en pakt je telefoon om een bericht te sturen. Dit is verboden, ook al rijd je op dat moment niet. Je staat namelijk nog op de rijbaan en bent nog steeds bestuurder. Leg de telefoon daarom weg of gebruik een houder.