Verkeerstekens en aanwijzingen Werking verkeerstekens
Een verkeerslicht met drie kleuren: rood, geel en groen. Dit licht regelt wie mag rijden en wie moet stoppen.
Op een kruispunt met verkeerslichten moet je precies weten wat elke kleur betekent. Als motorrijder volg je altijd het gewone driekleurige licht. Niet het fiets- of bromfietslicht.
Je mag doorrijden.
Je moet stoppen. Ben je al zo dicht bij het licht dat stoppen niet meer veilig kan? Dan mag je doorrijden.
Je moet altijd stoppen. Als motorrijder maak je hierop geen uitzondering.
Een ander woord voor het verkeerslicht dat je opdraagt te stoppen: dus een geel of rood licht bij een driekleurig verkeerslicht.
Bij driekleurige verkeerslichten geldt: groen is doorgaan, geel is stoppen tenzij dat niet meer kan, en rood is altijd stoppen.
Let op: soms zie je bij een kruispunt een licht met een fiets erop. Dat licht geldt voor fietsers en bromfietsers op een fiets/bromfietspad. Als motorrijder volg je dat licht niet. Jij houdt je aan het gewone driekleurige licht.
Je rijdt op je motor naar een kruispunt. Het licht springt op geel. Je bent nog ver genoeg van het licht. Daarom rem je rustig af en stop je voor de stopstreep. Naast je staat een fietser bij een apart fietslicht. Dat licht springt op groen, maar jij wacht gewoon op het driekleurige licht.
