Verkeerstekens en aanwijzingen Werking verkeerstekens
Bij kruispunten en op busbanen hangen soms speciale verkeerslichten voor trams en lijnbussen: de tram/buslichten. Je herkent ze aan een raster van negen lampen, ook wel het negenoog genoemd.
Een verkeerslicht speciaal voor trams en lijnbussen. Het bestaat uit een raster van negen lampen in een 3x3 indeling. De verlichte lampen vormen een witte balk die de vrije rijrichting aangeeft.
Een patroon van witte lichten in het negenoog. De richting van de balk laat zien welke kant de tram of bus op mag: verticaal betekent rechtdoor, diagonaal betekent naar links of rechts.
Een licht boven een rijstrook dat aangeeft of je die rijstrook mag gebruiken. Op busbanen kan zo'n licht ook dienen als tram/buslicht voor voertuigen op die strook.
Tram/buslichten gelden voor trams en lijnbussen. Ze gelden ook voor andere voertuigen op een busbaan of busstrook waar het licht op van toepassing is.
De standen van het negenoog hebben een vaste betekenis:
- Wit licht of wit knipperlicht: doorgaan in de aangegeven richting
- Geel licht: stop; tenzij stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is
- Rood licht: stop
Het witte licht geldt alleen voor de richting die het aangeeft. Een tram of lijnbus mag dus alleen doorrijden als het witte licht zijn eigen richting toont.
Als motorrijder kom je tram/buslichten tegen zodra je op een busbaan rijdt. Rijden op een busbaan mag in principe niet met een motor, tenzij een bord of onderbord dit uitdrukkelijk toestaat. Rijd je toch op een busbaan, dan moet je de lichten opvolgen.
Je rijdt op een weg met een busbaan. Bij een kruispunt staat een negenoog met een rood licht. Een lijnbus voor je staat stil. Jij hebt zelf ook rood bij je eigen verkeerslicht en wacht dus ook.
