Verkeerstekens en aanwijzingen Werking verkeerstekens
Bij een knipperlicht is niet alles hetzelfde. De kleur en de plek van het licht bepalen wat je moet doen.
Een rood knipperlicht betekent altijd: stop. Je mag niet doorrijden.
Een verlichte pijl bij een verkeerslicht. Het licht geldt dan alleen voor de richting die de pijl aangeeft.
Bij bruglichten betekent rood licht of rood knipperlicht: stop.
Een beweegbare brug gaat open om schepen door te laten. Zolang de brug open is, zie je een rood licht of een rood knipperlicht. Je moet dan wachten. Soms staat er ook een rood knipperlicht met een richtingspijl. Dat licht geldt dan alleen voor jouw rijrichting.
Een beweegbare brug kan geheel of gedeeltelijk opengaan. Dat is nodig om schepen eronderdoor te laten. Gaat de brug open, dan moet het wegverkeer wachten.
Een geel knipperlicht waarschuwt voor een gevaarlijk punt verderop. Je hoeft niet te stoppen, maar moet extra voorzichtig zijn en je snelheid en rijgedrag aanpassen aan de situatie.
Zie je een geel knipperlicht, dan hoef je niet te stoppen. Het licht waarschuwt je voor een gevaarlijk punt verderop. Denk bijvoorbeeld aan een overweg, een brug of een gevaarlijke bocht. Pas in dat geval je rijgedrag aan.
Je rijdt op een landweg en ziet een geel knipperlicht. Verderop ligt een spoorwegovergang. Daarom minder je vaart en kijk je goed of er een trein aankomt. Bij de overweg zelf zie je een wit knipperlicht. Er komt geen trein, dus je rijdt door.
